16 augustus 2010 · 00:00 · door Daantje
De Oorsprong der Pruimen
9 beelden 5 reacties
1. Diploïde pruimen (16 chromosomen.):
de kerspruimen of myrobolanen (Frans: myrobolan. In het Duits schrijft men Myrobalanen); en talrijke Aziatische en Amerikaanse pruimen.
2. De tetraploïde sleeën, sleedoorns.
3. Hexaploïde soorten: de Europese cultuurpruim (Prunus domestica) en de Prunus insititia.
Daar de meerderheid van deze pruimen kunnen kruisen en dit gebeurt in de vrije natuur altijd weer, aldus bestaan er een veelvoud van bastaarden, wat de indeling niet gemakkelijker maakt.
Wildvormen
Bij de sleedoorns bestaan er verschillende typen die afwijken in vruchtgrootte, bloei – en rijpheidtijdstip. Ze komen van de oertijd bij ons voor, zoals blijkt door vondsten van stenen bij archeologische opgravingen.
Tussen haakjes: Wageningen heeft onderzoek verricht naar het gebruik van sleedoorn als onderstam. Zij selecteerden een viertal types (uit een vijftigtal variëteiten) die als onderstam positiever (minder grote boom, toch grote vruchten; dit in tegenstelling met de Engelse Pixy, die ook klein blijft, maar waarbij de vruchten eveneens klein blijven) zouden scoren dan de nu meest gebruikte St Julien A.
Myrobolanen of kerspruimen zijn veel recenter in onze streken gekomen. Pas sinds een 100 tal jaar worden ze gebruikt als onderstammen (voor hoogstam pruimelaars) en na het afsterven van het geënte ras groeiden deze verder en verspreidden zich door zaadvorming.(Soms lees ik dat ze ook uitlopers vormen, doch ik heb dit zelf nog nooit vastgesteld.) In Oostenrijk blijken ze al in de 17 de eeuw aanwezig te zijn. De kerspruimen zijn er in meerdere typen. De vruchtkleuren gaan van geel, geelrood, rood tot violetblauw. Er zijn struikvormige van 3 – 5 m en bomen tot 12 m. In hun oorspronggebied in de Kaukasus zijn er bomen met een doormeter van 70 cm. In mijn tuin heb ik er intussen een tiental staan met gans het genoemde scala aan vruchtkleuren en die dikwijls enorm productief zijn, ondanks dat zij erg vroeg bloeien, meerdere weken voor de cultuurpruimen. Ook dit jaar (2010) zijn er sterk dragende bomen, niettegenstaande de zeer late vorst dit voorjaar. Bomen die vorig jaar enorm droegen zitten nu in een beurtjaar. Trouwens, tegen mijn verwachtingen in, is 2010 een zeer goed pruimenjaar, behalve wat de Reine Clauden betreft, die tot de later bloeiende pruimen behoren. Althans in deze streek, de Voorkempen.
Prunus insititia
De wilde pruimensoort Prunus insititia is zeer omvangrijk.
Prof Hautmann spreekt van 3 ondersoorten: Krieche/Kriechele, Zibarte en Sint Julienpruimen. Bij de paalwoningen uit het jongsteentijdperk heeft men stenen gevonden van Kriechele en Zibarte. In de natuur zijn ze nu zo goed als verdwenen. Ze onderscheiden zich enkel door de vruchtkleur van elkaar: Zibarten zijn groen tot geelgroen; Kriechele zijn blauw.
De St Julien kwam tijdens de voorgaande eeuw als onderstam uit Frankrijk. Vooral de St Julien A is zeer bekend als onderstam. Na afsterven van de veredeling heeft de St Julien zich in de natuur verspreid. De St julien heeft vruchten in verschillende kleur en grootte. Bij de St. Julien A zijn deze groen tot groengeel.
De bekendste ondersoorten van de Prunus insititia zijn
- Enerzijds de Reine Claudes of in het Engels Gages.
- Anderzijds de Mirabellen (niet verwarren met de Myrobolanen of kerspruimen, want de gele myrobolaan wordt meestal verward met de mirabelle.)
Primitieve Pruimen
Nog sterker bedreigd zijn de landrassen die men desgewenst tot de wilde pruimen kan rekenen. Een kenmerk zijn de kleine vruchten. Sommige hebben wel iets grotere vruchten.
Primitieve pruimen en landrassen staan op eigen wortel en worden met worteluitlopers vermeerderd.
Toen wij hier in 1962 kwamen, groeiden er twee landras
pruimelaars aan de kant van de moestuin, met tamelijk grote, goedsmakende,
blauwrode vruchten. In de loop der jaren heb ik tientallen uitlopers
uitgedeeld. Ze kregen van mij de naam “Kempische pruimen”. Ook in Brasschaat
had iemand dergelijke pruimen. Ik heb nog een ander landras, dat ik meebracht
van Leffinge bij Oostende. Opmerkelijk is dat de vruchten in mijn zandgrond een
stuk minder groot zijn en ook niet zo goed smaken als de vruchten van de bomen
daar, in de zware poldergrond. Daaraan
knoop ik ook het feit vast dat uitgeplante uitlopers van die twee moederbomen
het duidelijk minder goed deden, wegens onvoldoende verzorging en een grond
minder voorzien van voedingsstoffen. De moederbomen aan de rand van de moestuin
profiteerden duidelijk van de rijke, bemeste tuingrond. Ik heb nog een derde landras, een pruim uit het Keerbergse, gekregen van Wilfried D'Hondt. Deze pruim heeft de smaak van een goede cultuurpruim en is te vermenigvuldigen met worteluitlopers.
Wilde pruimen komen over gans Europa voor.
Zo zijn er de uitgebreide onderzoekingen van Heinrich Werneck in de 1950tigerjaren in Oostenrijk. Hij vond naast Kriechele en Zibarten nog een ganse reeks landrassen.
Vele dreigen te verdwijnen of zijn reeds verdwenen.
In de fruitverzamelingen komen ze niet of nauwelijks voor. Ook in de genenbank voor fruit werden ze meestal vergeten.
De universiteit van Hohenheim en de T.U. München –Weihenstephan hebben een kleine collectie.
De grootste verzameling van wilde pruimen werd door Peter Schlotmann samengebracht te Lauenburg in Schleswig-Holstein: 420 vondsten van pruimen.
Tot een andere groep behoren de Japanse pruimen. Deze worden tot de soort Prunus salicina (synoniem: Prunus triflora) gerekend. Prunus salicina is diploid (2n = 2x = 16). De vruchten zijn groot en rond, met tamelijk stevig vruchtvlees. Ze worden veel ingevoerd. Japanse pruimen bloeien vroeg, gelijk met de kerspruimen (Deze zouden wel iets meer vorst verdragen dan de Japanse pruim), een maand vroeger dan de Europese cultuurpruimen en lopen daarom meer risico op schade door nachtvorst.
Er bestaan ook soortkruisingen tussen de Japanse pruim en de abrikoos. Deze staan bekend onder de namen Plumcot, Aprium en Pluot.
Eveneens bestaan er soortkruisingen tussen de Japanse pruim en de kerspruim .
Mijn besluit
Toch blijf ik na dit verhelderend artikel met vragen zitten.
Waar plaats ik bv. het blauwe pruimpje dat mijn jeugd verblijdde? Is het een Damast pruim (pruim afkomstig uit het Midden Oosten, Damascus)? Damastpruimen worden gerekend tot de Prunus insititia, net als de Engelse Damsons en Bullaces.
Zijn er nog meerdere landrassen in onze streken te vinden? Waar zijn de kleine, gele pruimpjes die men in meerdere streken tegenkomt te plaatsen? Veertig jaar geleden proefde ik in Halle-Kempen een iets grotere, gele pruim met iets rood, die wellicht eerder een oud landras was dan een kerspruim. Zijn herinneringsbeelden betrouwbaar? Wat zijn en waar plaatst men de kroosjes? Waar zijn de Brabantse, blauwe palokes te plaatsen? Kennissen gaven mij gele pruimen die al vijftien jaar ze goed als onvruchtbaar blijken. Waarom? Enz.
Wat zijn uw bevindingen?
Daniël Willaeys, Zoersel, aug. 2010
Foto’s
1. Small Black Bullace
2. White Bullace
3. Idem
4. Een van mijn vrij goed smakende myrobolanen
5. Gele myrobolaan
6. Mijn donkerbladige , rode kerspruim
7. De MO-Nectar van Georges Cooman, de mooiste pruimen die ik ooit zag en een van de lekkerste.
8. Idem
9. De cultuurpruim die ik als eerste aanraad: een zelfbestuiver, regelmatig vruchtbaar en lekker. Zelfs als er te veel aanhangen is de smaak nog behoorlijk. We oogsten nu de laatste vruchten.
